Verhaal

Almelo’s roggebrood in Amsterdam

De heer Jaspers uit Ootmarsum (93 jaar) was pas later, na de eigenlijke bankroof zijdelings betrokken. Hij werkte bij de Nederlandsche Bank in Amsterdam. Op een dag werd hij met een paar andere bankbedienden bij de directeur, Rost van Tonningen, geroepen. Ze moesten nog diezelfde avond vertrekken noch naar Almelo, omdat de beambten daar in de gevangenis zaten. De Amsterdammers moesten de bank weer op gang helpen.

De reis van Amsterdam naar Almelo verliep per goederentrein. Dat werd nog een tamelijk vrolijke boel omdat iedereen die naar Almelo moest toevallig ook deel uitmaakte van het cabaretgezelschap van de bank. In de wagon zaten behalve de heer Jaspers onder meer Ton de Haer (de pianist van het gezelschap) en Louis Rieder (die had zijn accordeon meegenomen). Op de Veluwe werd de trein beschoten door Engelse Spitfires. Na deze beschieting werden de passagiers met huifkarren, die werden bemand door Russische krijgsgevangenen, verder naar Deventer gebracht. Bij de brug over de IJssel stond een Duitse wachtpost. “Werda?” Een van de bankemployés: “Das Pferd von Troje und das wird sofort weitergehn.” Na een overnachting in Deventer werden de bankmedewerkers opgehaald door een vrachtwagen met houtgenerator.

Eenmaal in Almelo hadden ze geen idee wat ze moesten doen. Dus maar naar de gevangenis om daar hun gevangen collega’s te vragen naar de stand van zaken op de bank in Almelo. Jaspers kreeg als taak formulieren te tellen en hij moest het teruggevonden geld van hooi ontdoen.

Jan Meijer, de oudste van de Amsterdammers in Almelo werd door Rost van Tonningen als vervanger van G.H.B. Smits, de Verwalter van de bank, aangesteld. Omdat Jaspers al moeilijkheden had in Amsterdam met deze Meier, stuurde hij hem als eerste weer terug naar Amsterdam om verdere escalatie te voorkomen.

Tijdens zijn verblijf in Almelo werd Jaspers ondergebracht bij een familie waarvan hij bij zijn terugkeer naar Amsterdam een katoenen zak meekreeg met daarin enkele zware roggebroden en een eendenei. In Amsterdam stopte de goederentrein op het rangeerterrein en Jaspers woonde in West. De zak met roggebroden was erg zwaar, waardoor hij zomaar ergens aanbelde en vroeg of ze iemand wisten die hem kon vervoeren. Er kwam een man met kar en paard. Die heeft Jaspers naar huis vervoerd. Als dank kreeg deze voerman een van de broden. De man huilde van dankbaarheid. Het was eind 1944, de hongerwinter.

Na de oorlog trouwde de heer Jaspers met een meisje van Abeln, een winkelier uit de Grotestraat in Almelo en werkte jarenlang in de reclame.