Verhaal

Bankrover met permissie van regering

Samen met tien handlangers beroofde verzetsman Henk Bosch op 15 november 1944 de Nederlandsche Bank in Almelo. Tot op de dag van vandaag is het de grootste bankroof uit de Nederlandse geschiedenis: het verzet stal 46 miljoen gulden van de Duitse bezetter. Op 20 november 2011 overleed Henk Bosch de laatste van de verzetsgroep op 89-jarige leeftijd. 

Pas na ruim een halve eeuw vertelde Bosch zijn kleindochter Debby over de overval. Hij vestigde de aandacht liever op de onbekenden in het verzet. “Veel mensen liepen meer risico dan wij. De koeriersters die door de baggersneeuw van Almelo naar Zwolle fietsten. Zij waren altijd onderweg, wij als knokploeg sloegen toe en verdwenen weer.”

Het wegwuiven van waardering voor zijn daden komt volgens Debby door het tragische lot dat de verzetsgroep enkele dagen na de bankkraak trof. Kort na de roof werden enkele maten opgepakt en afgevoerd naar een concentratiekamp.

De kraak was in het diepste geheim voorbereid. Sommige overvallers kenden elkaar niet en zelfs hun vrouwen wisten niet wat hun geliefden van plan waren. Alleen de Nederlandse regering in Londen wist van de roof en keurde die goed. Het geld was op last van Reichskommissar Seyss-Inquart van Arnhem naar de bank in Almelo gebracht, om van daaruit verder naar Duitsland te worden getransporteerd. Na het mandaat vanuit Engeland begon de organisatie. Volgens Henk Bosch was het geen diefstal, maar het ophalen van eigen geld.

Dat geld was nodig voor de stakingskas na een spoorwegstaking. De leider van de knokploeg, Derk Smoes, werkte eerder bij de Almelose bank en kende het gebouw als zijn broekzak. Eenmaal binnen was het volgens Bosch simpel. “Je hoefde geen geweld te gebruiken. Je stapte gewoon naar binnen, koos de juiste man uit, zette hem een machinegeweer tegen zijn hoofd en hij begon te praten.”

De NSB-directeur van de bank moest het hek en de kluis openen, maar hij verzette zich. Hij blufte dat hij slechts de sleutel van het hek had en dat er iemand gebeld moest worden voor de andere sleutel.

'Onzin', wisten de overvallers. Henks goede vriend Herman Höften riep naar personeel, dat tegen de muur was gezet: “Schrik niet als je zo dadelijk een schot hoort, het is jullie directeur maar!” De sleutel kwam razendsnel voor de dag.

De avond liep bijna verkeerd af. De dertien geldkisten vol coupures van 25 en 100 gulden waren na een uur de vrachtwagen nog niet ingeladen toen een Duitse politiepatrouille passeerde. Höften waarschuwde met een knijpkat de colonne Grüne Polizei die kwam aanmarcheren. “Achtung, Geldtransport!,” riep hij.

Met de waarheid om de tuin geleid vervolgden zij hun weg. De overvallers scheurden, nadat het alarm door het doorknippen van een vermeende telefoondraad was afgegaan, met een vrachtwagen met 46 miljoen richting Daarlerveen. De buit werd verstopt in de hooiberg.

Een bekende van de overvallers werd toevallig opgepakt met blanco persoonsbewijzen. De gouden verzetsregel was dat je na een arrestatie een dag lang je mond moest houden. “Zo hadden je maten tijd om te ontkomen,” vertelt kleindochter Debby Bosch.

Misschien brak de gevangene na marteling eerder of heeft het bericht van zijn arrestatie de overvallers niet op tijd bereikt. In ieder geval kreeg de bezetter belangrijke informatie en werden vier betrokkenen bij de roof opgepakt. Derk Smoes, Willem Meenks, Douwe Mik en Gerhard Nyland kwamen in Neuengamme en Reyershorst om het leven.

De SS ontdekte ook de bergplaats van de bankbiljetten. Het duurde niet lang voordat de Duitsers met de grootste roofbuit die Nederland ooit kende de boerderij verlieten.

Henk Bosch leefde nog 67 jaar met zijn herinneringen uit zijn verzetstijd: de voortdurende onzekerheid en de noodzaak te zwijgen. Ook tegenover mensen die het dichtst bij hem stonden. Wie niets wist, kon ook niets vertellen. “Het ergste was dat als je wegging, je alleen goodbye kon zeggen.”