Verhaal

Horen, zien en zwijgen; een rare manier van doen in Vriezenveen

Jan Harzevoort is de neef van Derk Smoes, een van de overvallers die werd gepakt en omkwam in het concentratiekamp. Jans ouders woonden tijdens de oorlog in Vriezenveen en hadden daar een illegale kousenbreimachine. Dankzij die machine kon de familie zich door de oorlog worstelen.

Vader Harzevoort zat verstopt op zolder en werkte met de breimachine. Mensen namen garen mee dat ze uit de fabrieken hadden gejat. Dat garen werd gewoon om het lijf gewikkeld. Harzevoort maakte er kousen van volgens de afspraak: één paar voor de klant, één paar voor de breier. Moeder Harzevoort ging vervolgens met de kousen de boer op om die te ruilen voor houdbaar voedsel, zoals bonen.

Op zo’n tocht kwam ze een keer vanuit Mariaparochie in de richting van Vriezenveen door de Weitemanslanden. Bij café Biglaar was er ‘veel volk op straat’. Wat zoveel betekende als ‘er liepen mensen’ want in die tijd liep daar eigenlijk nooit iemand. Toch hoorde ze ineens een stem achter zich: “Harmke, deurfiets´n en rap.”

Jans moeder heeft de man niet gezien, maar hoorde aan zijn stem dat het haar zwager Derk Smoes was. Ze is naar huis gevlogen en had nog nooit zo hard gefietst. Vader Harzevoort vertelde later dat daar toen twee Duitsers waren doodgeschoten. De omgeving is door de bezetters nog vaak gezocht, zelfs met vliegtuigen, maar men heeft nooit iets kunnen vinden.

In het gezin van Derk Smoes, die getrouwd was met de jongere zus van Jan Harzevoorts moeder gebeurden ‘rare dingen’, herinnert Jan zich. Als Jans moeder vanuit haar woning aan het Oosteinde onverwacht bij haar zuster aan het Westeinde kwam, zat er vaak een vreemde man aan tafel. Altijd zwijgend. Moeder wist wel dat er een onderduiker was, vertelt Jan. Ene Van Veen en die zweeg altijd. Er zaten ook vaak andere mannen dan die Van Veen en die mannen leken op de een of andere manier altijd op elkaar. En ze zwegen altijd, allemaal. Was het de ene keer Derk in vermomming en de andere keer Van Veen? Jan weet het nog altijd niet, maar raar was het wel.

Ook de omgang met agent Klinge in Vriezenveen was wat ongewoon. Klinge was een beste man, maar moest vanuit zijn positie natuurlijk soms wel vragen waar de een of de ander zat. Zo kwam hij wel eens bij de moeder van Jan aan de deur: “woar is oe man?" Hij wist best dat hij op de zolder kousen zat te breien, denkt Jan nu. Maar moeder Harzevoort reageerde als volgt: “Ik hebbe net alle vief keender in sloap. A´j dr ene wakker moakt, zorg ie d´r zollef mer veur da´j ze weer in sloap kriegt." Klinge droop dan af.