Verhaal

Wij kinderen liepen overal tussendoor

Dieneke Bax - Van Schooten, de dochter van bankbeambte Van Schooten en zus van At was 13 jaar in 1944. Sinds 1937 woonde het gezin Van Schooten in de ruime woning boven de bank. Vader Van Schooten was eerste beambte en had samen met Smits (de Verwalter) de sleutel van de kluis. Dieneke heeft het altijd erg vervelend gevonden dat haar vader in verschillende publicaties werd aangeduid als conciërge.

Ons huis boven de bank was ook een doorgangshuis voor Joden. Als vriendjes onder elkaar zeiden kinderen weleens: “die of die Joden, zijn die nou bij jullie? Die waren eerst bij ons." Als kinderen vertelden we elkaar heel veel, maar wisten instinctief ook wanneer we moesten zwijgen.
 Wij liepen overal tussendoor. Het was alsof de Duitsers de kinderen ‘niet zagen’. Ooit gooide ik een dikke Duitser een sneeuwbal in de nek. De man wilde kwaad worden maar een andere Duitser suste hem en zei: “es ist ja nur ein Mädchen." Misschien daarom werden wij kinderen ook wel eens ingezet om simpele boodschappen door te geven. Dat werd dan als iets heel normaal gebracht, als een doodgewone boodschap. Veel later besef je dan wat je toen eigenlijk aan het doen was. 

Kinderen werden gewoon niet opgemerkt. Dieneke Bax denkt dat dat te maken heeft met de rechtlijnigheid van de Duitsers. Ook door de nuchtere houding van haar ouders leek het of alles ‘normaal’ was wat ze deden. Er was geen angst, tenminste niet voelbaar voor de kinderen.

Tijdens de overval was het dienstmeisje van Notaris de Jong, Sientje, toevallig bij ons en ik herinner me dat mijn moeder zei: “Je moet hier nu wel even blijven.” Het leek allemaal heel gewoon. Ik zat in die tijd op het lyceum en als de sirenes klonken, vlogen we ergens naar binnen. Het was allemaal meer spannend dan angstig. Een leraar dook altijd met wat meisjes gezellig in een hoekje. Daar werden dan natuurlijk grappen over gemaakt. De avond na de overval werden mijn ouders één voor één verhoord. Dat was wel echt eng. Vreselijk was die SD'ers met die platte petten op onze overloop. 

Na de overval kwam mijn vader in het werkkamp terecht, maar daar wist hij te ontsnappen, omdat dat kamp gebombardeerd werd door geallieerden en de muren omvielen. Vader vluchtte naar huis, waar hij ziek en moe aankwam. Moeder was verpleegster geweest dus dat kwam goed uit. Een dag nadat vader was thuisgekomen hield verrader Flip Kampman mij aan bij de deur van ons huis. Dat was een andere deur dan de hoofdingang van de bank. Flip zei met zo’n scheef lachje: “zo Dieneke, is je vader weer thuis?” De volgende dag kwam hij terug met een revolver in de hand ging hij naar de slaapkamer van mijn ouders en zei tegen mijn vader, die in bed lag: “d’r uit.” Vader ging naar een volgend werkkamp, waar gek genoeg precies hetzelfde gebeurde: bombardement en ontsnapping. Toen is vader ondergedoken bij bakker Kobes in Vriezenveen.

De bewaking van de bank bestond uit drie landwachters uit Wierden. Éen daarvan noemden we Pijpje Drop. Ze vlogen altijd samen met andere mensen de schuilkelder in. Daar waren natuurlijk vrouwen bij. Ik herinner me dat een van de landwachters tegen Pijpje Drop zei: “ie kriegt zo nog biesloap vannacht!” Het waren echte schijtebroeken met zijn drieën. Als er kolen gehaald moesten worden voor het potkacheltje in de bank, durfden ze dat niet alleen. Dus twee van hen gingen kolen halen maar omdat de derde niet alleen binnen durfde te blijven, gingen ze uiteindelijk toch maar gedrieën. Soms viel de buitendeur dan dicht en moesten ze bellen om de sleutel.